Onlangs beweerde iemand dat alles wat wij over boven zeggen van beneden komt. Een merkwaardige uitspraak. Ik kon niet uitmaken of de bewering van boven of van beneden kwam. Maar degene die het beweerde, wist blijkbaar van het verschil tussen boven en beneden. Het was dus iemand die weet heeft van ons bewuste leven hier beneden en van wat boven je bewustzijn uitgaat. Veel mensen verzinnen immers hele werelden die niet echt bestaan en noemen dat fictie. Moderne mensen snakken naar zulke verzinsels en consumeren gretig literaire thrillers. Misschien heeft de Franse schrijver Voltaire (1694-1778) zijn uitspraak, dat God uitgevonden zou worden als hij niet bestond, voor hen bedoeld.

 

Die uitspraak bewijst dat wijze mensen beseffen dat ze niet zonder God kunnen leven. Maar ze beseffen ook dat hun eigen leven vol zit met voorrechten en vooroordelen. Die bestonden al voor wij in de wereld kwamen. Het evangelie van Johannes (1 :9) spreekt van het waarachtige licht dat ons verlicht, als het in de wereld komt. Maar je kunt de Griekse tekst ook zo lezen dat je door dat licht verlicht wordt, als je geboren wordt en zelf in de wereld komt. Wie niet in de kooi van zijn eigen levensgeschiedenis opgesloten wil blijven, zoekt naar de sleutel om de deur van deze kooi te openen. Bij het lezen van Fil. 2: 6,7 viel mij de gedachte in, dat de geboorte van Jezus eigenlijk een begrafenis was. Omdat de Zoon van God bij zijn geboorte begraven werd in de door de zonde afgesloten wereld. Hij reikt ons echter de sleutel aan, waarmee wij ons uit de kooi kunnen bevrijden. Dat betekent niet dat de schepping slecht is en wij van het materiële bestaan verlost moeten worden, maar dat de volgelingen van Jezus door zijn liefde als lichtbrengers in deze wereld staande blijven en de aarde trouw blijven. Zou dr. Harry Kuitert dat ook bedoeld hebben, toen hij van beneden over boven sprak?

 

Bovenaardse leiding in de geschiedenis

 

Het geestelijke leven begint niet beneden. De dichter Vondel (1587-1679) gebruikte in een drama Lucifer als held en gaf het klassieke drama daarmee een bovenhistorische inhoud door de val van de opstandige engelen in scène te zetten. Lucifer valt van boven naar beneden, zoals de satan volgens Lukas 10 :18. De dichter Willem Bilderdijk (1756-1831) verwerkt dit thema zo, dat de gevallen engelen in dieren veranderen. Als historicus stelt Bilderdijk de geschiedenis voor als een opeenvolging van bedrijven in een drama. Maar wat voor een drama bedoelde hij? Het is geen Grieks klassiek drama, waarin het lot van helden verweven is met dat van de Griekse goden. De Grieken beleefden de strijd tussen de goden onderling tot in hun Olympische Spelen toe. De moderne spelen missen dit besef. Toch beleven de meeste Nederlanders het bereiken van een finale in een wereldkampioenschap voetbal als een hoogtepunt en het verlies als een dieptepunt in hun bestaan. Dat wijst op een verering van voetballers als idolen. In zo’n armoedige wereld zit tussen boven en beneden dan maar een doelpunt verschil. Het drama van de geschiedenis kan volgens Bilderdijk alleen werkelijk gevolgd worden door iemand die zich op de rechterstoel van het heelal zet en zich onderwerpt aan de eeuwige waarheid. De historicus probeert dan over de grens van de historische tijd heen te kijken. Anders blijft hij gevangen in de zogenoemde tijdgeest. Via hun Heilige Schrift hebben Joden en christenen zicht op de bovenaardse leiding. De openbaring maakt hun bekend wat nog niet bekend was en is een richtsnoer voor het leven. 

 

De bovenhistorische blik kunnen wij ook een metahistorisch perspectief noemen. Het lijkt op de benadering van Augustinus. Deze kerkvader legde de basis voor de middeleeuwse geschiedschrijving. In zijn boek over de stad van God worden de wereld van God en de wereld waarin wij leven tegenover elkaar gesteld. Die werelden strijden met elkaar, zoals God met de duivel. De gelovige mens is volgens Augustinus vooral verticaal gericht op de hemelse verlossing. Daardoor kon de horizontale lijn van ons leven slechts in chronologische volgorde in de vorm van kronieken worden weergegeven. Verklarende verbanden ontbreken daarin. In de moderne geschiedschrijving staat alleen de horizontale lijn centraal. De geschiedenis vertelt onze levens na, maar niet opsommend zoals in de middeleeuwse kronieken, want de historicus probeert verklarende verbanden te leggen door naar oorzaken en gevolgen van gebeurtenissen te zoeken. Wie beheerst de wereldgeschiedenis, God of het lot ? De schrijvers in de Renaissance krijgen oog voor de invloed van de  deugd, de staatsman en de politiek op het verloop van de gebeurtenissen.

 

Augustinus, Bilderdijk en Geert Mak

 

Sinds de kritiek van de filosoof Kant op ons vermogen om de buitenwereld als zodanig te kennen, wordt de historische ontwikkeling zelf ook steeds meer onkenbaar geacht. Wij hebben wel een beeld van de wereld, maar weten niet wat de wereld zelf is. Historici kunnen alleen in een verhaal of met een vergelijking uitleggen wat er gebeurd is. Het historische verhaal geeft geen beschrijving van de gebeurtenissen zelf meer, maar suggereert ons hoe wij over het verleden zouden moeten denken. De historische werkelijkheid kan alleen door vergelijking, door beeldspraak of door een verhaal uitgelegd worden. Historische teksten zijn ondoorzichtig en vragen specifieke aandacht voor hun taal en stijl. Hayden White[1] noemt dat metahistorie, maar dat is niet hetzelfde bovenhistorisch perspectief als Augustinus en Bilderdijk voor ogen stond. De benadering van White brengt met zich mee dat ieder zijn eigen uitleg geeft en dat niemand kan aangeven waarom de ene uitleg beter dan de andere is.

 

Tussen de benadering van Augustinus en die van Bilderdijk bestaat nog een markant verschil. Augustinus geeft een universele geschiedschrijving, waarin niet een enkel volk centraal staat, maar Bilderdijk gaat van Israël als bijzonder volk uit. Dat was het in zijn ogen niet alleen in het Bijbelse verleden, maar hij handhaaft dit perspectief ook met het oog op de toekomst, want Bilderdijk was gericht op het herstel van het Joodse volk in het beloofde land en geloofde vooral op grond van de visioenen van Daniël en de Openbaring in een duizendjarig rijk onder leiding van de Messias. Ondanks dit verschil hebben Augustinus en Bilderdijk een bovenhistorisch perspectief gemeen, maar de afstand tussen hun benadering van de geschiedenis en die van eigentijdse auteurs zoals de bekende Nederlander Geert Mak is groot.

 

Augustinus en Bilderdijk hebben een bovenhistorisch perspectief. Mak daarentegen werkt naar Frans voorbeeld met verhalen, zoals met het verhaal van zijn vader, een gereformeerd predikant, dat hij tegen de achtergrond van de twintigste eeuw beschrijft. De lezer mag uitmaken of de kleine geschiedenis van de familie Mak en de grote geschiedenis van de twintigste eeuw elkaar weerspiegelen. God is uit deze geschiedschrijving verdwenen. En de gereformeerde hoofdpersonen in Maks boek lijken het product van de tijdgeest. Mak zei dat letterlijk al eerder met de titel van zijn boek Hoe God verdween uit Jorwerd. Deze conclusie mag dan voor de gereformeerde kerk in een dorp gelden, voor de grote steden in ons land geldt zij niet. Al dan niet op instigatie van Allah zijn ongeveer een miljoen moslims de afgelopen decennia onze steden binnengetrokken. Deze ontwikkeling brengt behalve sociale en politieke problemen ook een metahistorische vraag met zich mee. Wat is het verschil tussen de God van Israël en Allah? De islamitische volkeren in het Midden-Oosten en de Joden staan meestal tegenover elkaar, maar ook de koptische christenen en de islamieten verdragen elkaar niet.  Dat wijst erop dat de goden die zij vereren niet dezelfden zijn.  

 

Gebrek aan historisch besef is gevaarlijk

 

Een volk is het resultaat van zijn verleden. En een volk dat zich geen rekenschap geeft van zijn verleden en zijn cultuur, gaat te gronde. Dat wist de profeet Hosea al. Kennis berustte in Israël immers op het gedenken van de grote daden van God, in het bijzonder bij de uittocht uit Egypte. De God die Israël van de slavernij in Egypte heeft bevrijd, staat als Redder aan het begin van Israëls bestaan als volk. In de cultuur wordt de bevrijding opnieuw beleefd en gevierd. Het woord cultuur betekent oorspronkelijk cultus en houdt de verering van een goddelijke macht in. Het joodse paasfeest of Pesach is het belangrijkste feest in Israël, omdat de band met de levende God erin centraal staat, die redt van de dood en nieuw leven brengt.

 

Is de geschiedenis in de Bijbel van een andere orde dan de geschiedenis van de volkeren? Calvinisten vonden van niet. Zij zagen de hand van God immers ook in de geschiedenis. In de twintigste eeuw sprak de gereformeerde historicus Meijer Smit in het spoor van de antirevolutionaire staatsman Groen van Prinsterer van de eerste en de tweede geschiedenis. Simpel gezegd ziet de eerste de hand van God wel, maar de tweede niet. Een bekende illustratie van de eerste geschiedenis vormt het optreden van de dubbele eb in 1672. Volgens de meeste calvinisten was de langdurige eb voor de kust van Noord-Holland een bijzondere gunst van de Voorzienigheid. Daardoor konden de Engelsen niet landen en werd de Republiek voor onheil gespaard. Tijdgenoten die in algemene natuurwetten dachten, bestreden dat. De Schepper stond wel aan de basis van de natuurwetten, maar zij geloofden niet in een bijzondere openbaring. Tegenwoordig wil de geschiedenis net als alle andere vakwetenschappen van bovenaardse invloed nauwelijks meer weten. Huizinga (1872-1945) sprak nog wel van buitenaardse grootheid, maar dat geluid is verstomd.

 

Wie de grens van zijn vak overschrijdt, komt in botsing met de gevestigde geleerde orde, die als een douane de grens van het wetenschappelijke bedrijf bewaakt. Een recent voorbeeld in de medische wetenschap is de bijna-doodervaring (BDE), die is onderzocht door de cardioloog Pim van Lommel. Volgens de gangbare medische wetenschap is de mens dood, als zijn hersenen niet meer functioneren. Wat de mensen tijdens BDE’s ervaren, lijkt echter op wat de traditie via de eerste geschiedenis heeft overgeleverd. Hun ervaringen geven onder meer indrukken van de aanwezigheid van God, gaan over het leven na de dood en geven inzicht in lijden en genade. Opmerkelijk is bovendien dat deze ervaringen niet aan plaats en tijd gebonden zijn en dus niet door geboorte en opvoeding gestempeld zijn. De reactie van de gevestigde wetenschap is niettemin sceptisch, zij wil hard bewijs. Alsof de wetenschap in staat is, dat altijd te geven.

 

Ik heb hierboven enkele indrukken gegeven van de problematiek die we metahistorie noemen. De metahistorische benadering van de geschiedenis gaat ervan uit dat de historicus van (voor)oordelen uitgaat, die hem door de geest van de tijd zijn ingegeven. De Renaissance ging bijvoorbeeld wel terug naar de antieke bronnen maar liet zich door de eigen subjectieve beoordeling daarvan leiden. De Verlichting zag zichzelf als het hoogtepunt van de geschiedenis. Het redelijke denken had met het bijgeloof waar vroegere tijden vol van zaten afgerekend. De Romantiek betreurde de rationalistische minachting van het menselijke gevoel en de intuïtie, vond de rede gekunsteld en eenzijdig en wilde alle aspecten van het leven laten gelden, maar verviel in een verering van het dode verleden.

 

Frank de Graaff en de metahistorie

 

Is het mogelijk om boven de geest van de tijd uit te komen? In Nederland heeft dr. Frank de Graaff een poging gedaan via de metahistorie een verklaring te geven voor historische gebeurtenissen in het Westen. Daarmee vond hij in universitaire en in christelijke kring weinig gehoor. Behalve bij dr. Willem Ouweneel, die min of meer in het spoor van De Graaff drie metahistorische boeken geschreven heeft, waarvan De negende koning (2003) de bekendste is.

 

De Graaff dacht theocentrisch: de verbinding met God bepaalt de kwaliteit van een cultuur. Hij onderzocht de verhouding tussen Jezus, Israël en de volkeren. Dit leidmotief is uitgewerkt in de exegetische studie Jezus de verborgene (1987). Volgens De Graaff is Israël het middel van JHWH om de wereld te verlossen. Geen ander volk heeft de Tora aanvaard. Jezus is het hart van Israël. Deze relatie is voor het oog van de volkeren meestal verborgen gebleven. De Tora is echter vlees geworden in Israël, en is volmaakt in Jezus verwerkelijkt. In Mattheüs 25 oordeelt Jezus de volkeren als Messiaans koning. De rechtvaardigen onder hen hebben de nood van de lijdende Jood gelenigd en daarmee zijn koning geëerd. Als de volkeren Israël zegenen, worden zij ook gezegend. Jezus maakt duidelijk verschil tussen degenen die bij hem staan en degenen die geoordeeld worden, tussen de volkeren en zijn eenvoudige Joodse broeders uit Israël. Zijn oordeel berust volgens deze tekst op de houding van de leden van de volkeren ten opzichte van Zijn Joodse broeders. Dit oordeel sluit naadloos aan bij wat de God van Israël in Genesis 12 tegen Abraham zegt: wie u zegent, wordt gezegend en wie u bespot, wordt vervloekt. De Graaff verbindt onder meer aan deze teksten de conclusie, dat het geheim van de wereldgeschiedenis is ontsluierd, als de volkeren tot het inzicht komen dat Israël en Jezus bijeen horen en dat de erkenning van Jezus en zijn volk Israël tot redding en verlossing en terugkeer van de Messias voeren.

 

Als goden sterven (1969) analyseert de oorzaken en de gevolgen van de crisis in de westerse cultuur. De studie gaat uit van Psalm 82, waarin de God van Israël recht spreekt over goddelijke wezens (elohim), die de volkeren leiden. Omdat zij de barmhartigheid verwaarloosd hebben en onrecht toelaten, moeten zij als mensen sterven. Met dit metahistorische gegeven verklaart De Graaff de neergang van de westerse cultuur. In de historie van het westen wordt langzamerhand de bezielde, liefdevolle betrekking aangetast. Daardoor raakt de grondstructuur van de bijbelse dialoog ondermijnd. Het moderne denken wil dingen en mensen beheersen en is eenzijdig gericht op het nut. Daardoor worden de menselijke verhoudingen liefdelozer en onbarmhartiger. Het verschil tussen de mens en zijn omgeving wordt uitgedrukt in de zakelijke termen subject en object. Vooral in de latere techniek en haar toepassingen signaleert De Graaff de verdwijning van directe ontmoetingen en betrekkingen. De mens is een arbeidskracht geworden, het menselijk hart wordt een pomp en voedsel is een hoeveelheid calorieën. De hersenen vormen onze harde schijf en wat van buiten aangeleverd wordt, is software. Het materialisme overwoekert in het computertijdperk ziel, geest en lichaam.

 

De Graaff verklaart deze ontwikkeling in beginsel uit Psalm 82 maar zoekt ook naar de concrete uitwerking daarvan. In zijn studie over de dode westerse god,  A.D.1000 A.D.2000 (1977), wijst hij op het optreden van duistere machten, die zich als lichtbrengers aandienen. Zo ziet hij achter het aanbreken van het tijdvak van de Verlichting de macht van Lucifer schuil gaan. Lucifer zou licht brengen na de duistere tijd van de kerk en de middeleeuwen. Daarvan waren de verlichte geesten overtuigd; allerwegen heerste optimisme. De keerzijde van de lichtbrenger komt later openbaar. Nadat wetenschap en techniek hun vruchten hadden afgeworpen, de kindersterfte hadden teruggedrongen en de welvaart hadden bevorderd, kwam de keerzijde openbaar. Lucifer blijkt verwisseld te worden met het licht van Christus. Lucifer verandert het volk in een massa, waarin iedereen gelijk is. De massavorming heeft geweldige schade veroorzaakt. Door de techniek worden de elementen aangetast en verdwijnen de levenwekkende krachten uit het voedsel ; de ethiek verzwakt: de mondige mens beslist zelf via abortus en euthanasie over het leven, en kiest via de drugs voor een chemische vakantie. Met het leven van dieren wordt geëxperimenteerd en de experimenten worden ook op mensen toegepast. Met de grote catastrofes van de wereldoorlogen tot gevolg. In het nazisme heeft zich volgens De Graaff de duistere macht van de Hinderaar, dat is de Satan, en van Lucifer geopenbaard.             

 

De Graaff plaatste de uitspraak van de filosoof Nietzsche, dat god dood is in de context van de westerse geschiedenis. Nietzsche zegt erbij dat wij hem gedood hebben en dus godsmoordenaars zijn. De Graaff gelooft in de levende God van Israël en betrekt de uitspraak van Nietzsche op de engelenmacht van de westerse cultuur. Maar na het jaar 1000 werden de Joden van godsmoord beschuldigd en kwamen de kruistochten op gang. De Graaff veronderstelt dat de westerse mens zijn schuld op de Joden wilde afwentelen. Hij ziet in Nietzsche geen atheïst, maar een visionair denker. De Graaff vereenzelvigt de westerse god met een engelenmacht. Na het afsluiten van de canon voltrok zich een scheiding tussen Joden en christenen. De eenheid van de christenen uit de heidenen wordt volgens De Graaff niet door Jezus Christus maar door een engelenvorst gewaarborgd. De Joden hebben deze vergoddelijkte middelaar verworpen, omdat zij een rechtstreekse relatie met de God van Israël onderhielden. In 1000 verwachtte de westerse christenheid het oordeel Gods, dat volgens Psalm 82 op de verzaking van de barmhartigheid moest volgen.

 

De Graaff meent dat het offer van de westerse god in 1000 het oordeel heeft uitgesteld. Dit mysterie vraagt heel zorgvuldige uitwerking die ik in dit bestek niet kan geven. Hij onderscheidt dit westerse offer nadrukkelijk van het Bijbelse offer van Jezus, dat de rechtstreekse relatie met de God van Israël herstelt. Dit westerse offer is bovendien ambivalent. Het brengt verzoening en schuld. Het wendt weliswaar de ondergang af, maar vervormt tegelijk de werkelijkheid. De Graaff ziet in paus Silvester II (pontificaat 999-1003) de offeraar en de grondlegger van de moderne wetenschap. Deze wetenschap heeft van de aarde een abstracte bol gemaakt en van de menselijke ziel een denkend ik, dat gedreven door de wil tot macht de kosmos aan zich onderwerpt.

 

De eenheid van de massa en van de techniek is openbaar geworden in het nazisme, dat zich gekeerd heeft tegen het bruggenhoofd van God, het Joodse volk. De Graaff is geen pessimist. Het Avondland steunt op het waken en bidden van de gemeente, de rechtvaardigen uit Israël en de volkeren. De God van Israël kan zich echter blijkens Psalm 90 ook zelf bekeren, wat in Jezus is geopenbaard. Als het gebed om die bekering verhoord wordt, is het Avondland gered.

 

Van het christendom wordt volgens De Graaff de erkenning van Israël als eerstgeborene gevraagd. De miskenning van Israël komt grotendeels voort uit een christelijke miskenning van het karakter van de evangeliën. De christelijke traditie leest die als een boodschap voor Joden en niet-Joden en oordeelt dat zij voornamelijk door niet-Joden zijn aanvaard. De Graaff leest in de evangeliën daarentegen een boodschap van Joden aan niet-Joden. Israël worstelt met de volkeren, in het bijzonder met Rome, zoals Jacob met Esau geworsteld heeft in de moederschoot van Rebecca. De kerkvader Augustinus heeft Jacob met de Romeinse christelijke kerk en Esau met Israël vereenzelvigd. In de leer van Augustinus, die de christelijke kerk heeft beheerst, ziet De Graaff de bron van de vervangingstheorie. De kerk is door de schatten van Israël gezegend, maar heeft zich die toegeëigend. Zo heeft de westerse kerk (d.i.Esau) Israël (d.i.Jacob) willen afschudden, maar daarmee de komst van het koninkrijk van JHWH uitgesteld.

 

De metahistorische visie van dr. De Graaff gaat serieus in op de invloed van verschillende geestelijke machten en heeft daardoor de traditionele tegenstelling tussen God en de duivel verdiept en verhelderd. Dat hij in de evangeliën een blijvende, verborgen eenheid van Jezus en

 

[1] Hayden White (1928, VS) is een toonaangevende geschiedsfilosoof. Hij werd vooral bekend vanwege zijn boek Metahistory: The Historical Imagination in Nineteenth-Century Europe (1973). Hierin houdt hij een gepassioneerd pleidooi voor een manier van denken over het verleden die de oude tegenstelling tussen feit en fictie, rede en verbeelding of logos en mythos te boven komt.

Bovenverdieping of metahistorie, dr B. Engelfriet