The Torah calls Bnei Yisrael en masse, “the son of God”, ”Thus said God, Israelis My son, My firstborn. Bnei Noach, on the other hand, are ideally likened to the servants of God. When Bnei Yisrael does not manifest the essence of their Divine soul - “an actual part of God”, as son to father - they are also referred to as a servant. Though in relation to Jewish consciousness this is definitely a shortfall, in relation to creation as a whole, it serves a positive purpose. (voetnoot 58). As we have seen, it is the responsibility of the Jew serves God as a servant, he inspires the non-Jew to rise to the same level, and thus to become a servant of God etc...

Is deze tekst te vergelijken met Paulus tekst hun val etc. Romeinen 11:11-12 etc.?

 

Israël slechts ten dele verworpen.

 

1 Ik vraag dan: God heeft zijn volk toch niet verstoten? Volstrekt niet! Ik ben immers zelf een Israëliet, uit het nageslacht van Abraham, van de stam Benjamin. 2 God heeft zijn volk niet verstoten, dat Hij tevoren gekend heeft. Of weet gij niet, wat het schrift woord zegt in (de geschiedenis van) Elia, als hij Israël bij God aanklaagt: 3 Heere, uw profeten hebben zij gedood, uw altaren hebben zij omver gehaald; ik ben alleen overgebleven en mij staan zij naar het leven. 4 Maar wat zegt de godsspraak tot hem? Ik heb Mij zevenduizend man doen overblijven, die hun knie voor Baäl niet hebben gebogen. 5 Zo is er dan ook in de tegenwoordige tijd een overblijfsel gelaten naar de verkiezing der genade. 6 Indien het nu door genade is, dan is het niet meer uit werken; anders is de genade geen genade meer. 7 Wat dan? Wat Israël najaagt, heeft het niet verkregen, maar het uitverkoren deel heeft het verkregen, en het overige zijn verharde, 8 gelijk geschreven staat: God gaf hun een geest van diepe slaap, ogen om niet te zien en oren om niet te horen, tot de dag van heden. 9. En David zegt, laat hun tafel voor hen worden een strik, tot een valkuil en tot vergelding. 10 Laat hun ogen verduisterd worden, zodat zij niet zien en maak hun rug voor altijd krom.  11 Ik zeg dan: Zijn zij soms gestruikeld met de bedoeling dat zij vallen zouden? Volstrekt niet! Door hun val echter is de zaligheid tot de heidenen gekomen om hen tot jaloersheid te verwekken. 12 Als dan hun val voor de wereld rijkdom betekent en hun verlies rijkdom voor de heidenen, hoeveel te meer hun volheid!

 

Service, or worship is identified in Kabbalah with sincerity. A sincere individual can stand before his master in total submission of self and absolute commitment of will. This sincere state of submission creates an aura that encompasses both master and servant. An additional meaning of the Hebrew name of the sefirah of acknowledgement, hod, is indeed “aura”.

 

Chassidut explains that even a tzadik (rechtvaardige) may fall from his spiritual level. The purpose of such a fall is that the tzadik have the opportunity to meet lower souls “on their Turf” and with merely his presence strengthen them and inspire them to rise higher.

 

The same is true of the Jewish people as a whole. Their fall is designed so that they can strengthen and inspire the nations of the world to reach higher and embrace God and His Torah truthfully. Of course all such falls can only be considered positive as long as they do not overstep the boundaries of holiness. For the individual tzadik this translates into falling into the state of an intermediary (a beioni, in the Tanya). For the Jewish people it means falling from serving God as a son to serving Him as a servant, that is without an inners sense of joy. A servant, though he has no inner joy in performing the commandments themselves, nonetheless, continues to perform them.

Een tekst van rabbi Yitzchak Ginsburgh in zijn boek Kabbalah and Meditation for the Nations, 2007